Het opleggen van arbeidsverplichtingen

Wel of geen besluit?

Op grond van artikel 9 lid 1 Pw is een bijstandsaanvrager van het moment dat hij zich meldt voor de bijstandsaanvraag verplicht om:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid proberen te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden;

b. mee te werken aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, als hij jonger is dan 27 jaar, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;

c. een door het college opgedragen tegenprestatie te verrichten.

Deze verplichtingen gelden echter niet voor wie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is (artikel 9 lid 5 Pw). Ook kan het college iemand tijdelijk ontheffen van de arbeidsverplichtingen van onderdeel a of de tegenprestatie, bedoeld in onderdeel c. 

Voor wie niet onder deze uitzonderingen valt, gelden deze verplichtingen onverkort. In de uitvoeringspraktijk wordt dan vaak in het toekenningsbesluit expliciet gemeld dat de genoemde verplichtingen artikel 9 lid 1 Pw van toepassing zijn. Het is immers zaak dat de burger goed wordt voorgelicht omtrent zijn rechten en -in dit geval- plichten.

LEES VERDER

In de praktijk wordt aan de burger dan medegedeeld dat aan hem de arbeids- en re-integratieverplichtingen zijn opgelegd. Maar is dit opleggen van de arbeidsverplichtingen een besluit waartegen een bijstandgerechtigde kan opkomen?

In de regel geen besluit

Het ‘opleggen van de verplichtingen’ is in dit verband eigenlijk een wat ongelukkige formulering, aangezien deze verplichtingen niet actief door het college worden opgelegd. Ze gelden al van rechtswege. Daarmee is het ook een gegeven dat het wijzen op de arbeids- en re-integratieverplichtingen niet een apart rechtsgevolg in het leven roept. En aangezien de aanwezigheid van een rechtsgevolg een onmisbare voorwaarde is voor het bestaan van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, staat er dus ook geen bezwaar of beroep op tegen het wijzen op deze al bestaande verplichtingen (CRvB 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9392). Maar er zijn uitzonderingen

Concretisering verplichtingen

Het wordt echter anders als het college de verplichtingen van artikel 9 lid 1 Pw nader invult. Zo is de concrete verplichting om je bij een aantal uitzendbureaus in te schrijven of een minimaal aantal sollicitaties per maand te verrichten wel een voor bezwaar vatbaar besluit (CRvB 18 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:925). Hetzelfde geld voor het opdragen van een concrete tegenprestatie of het aanbieden van een concrete re-integratievoorziening (CRvB 28 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4443).

Maar niet elke nadere duiding van de re-integratieverplichting is een zodanige concretisering. De oproep om bij een re-integratiebedrijf te verschijnen ten einde de arbeidsmogelijkheden te verkennen, moest juist weer niet als een appelabel besluit worden gezien, omdat de bijstandsgerechtigde (c.q. aanvrager) al van rechtswege verplicht is om mee te werken aan een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden (CRvB 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU2094).

Impliciete weigering ontheffing

Maar het gaat niet alleen om de vraag of de verplichtingen van artikel 9 lid 1 Pw nader zijn ingevuld door het college. Het gaat ook om de context waarbinnen het college wijst op deze verplichtingen. Het kan namelijk zijn dat een belanghebbende, al dan niet bij zijn bijstandsaanvraag, te kennen heeft gegeven dat hij meent dat hij van deze verplichtingen ontheven zou moeten worden. Hetgeen moet worden opgevat als een verzoek om een ontheffing. Indien en voor zover op een dergelijk verzoek niet expliciet is beslist, moet een verwijzing naar de verplichtingen van artikel 9 lid 1 Pw, worden opgevat als een impliciete weigering van dat verzoek (CRvB 15 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3708). Het kan dus zijn dat exact dezelfde bewoordingen in een geschrift van het college de ene keer wel en de andere keer niet als een besluit moeten worden gezien, enkel vanwege de verschillende achtergrond.

Afloop ontheffing

Tot slot nog aandacht voor de situatie dat een door het college verleende ontheffing van de verplichtingen artikel 9 lid 1 onderdeel a en/of c Pw eindigt. De ontheffing is van deze verplichtingen is enkel mogelijk voor bepaalde tijd. Dat houdt ook in dat na afloop van die bepaalde tijd de verplichtingen van rechtswege weer van toepassing zijn. Een mededeling dat van het college dat de duur van de ontheffing voorbij is en dat de verplichtingen weer van toepassing zijn is daarom geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. (CRvB 17 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6325). Maar ook dat is natuurlijk anders als belanghebbende inmiddels al had verzocht om een verlening van de ontheffing. Dan is er immers weer sprake van een impliciete weigering van dat verzoek.